ChatGPT, de smartphone, de digitalisering, ze zitten allemaal mee op de Estse schoolbanken. Een slim idee?
“Dat maakt allemaal deel uit van de werkelijkheid van het leven, dus jongeren moeten zeker begeleid worden in het verstandig gebruik ervan. Vanaf 16 jaar kan de smartphone slim ingezet worden. Misschien moeten we al op vroegere leeftijd met digitale middelen leren omgaan om een digitale verslaving te vermijden. Maar daar valt over te discussiëren.
“Estland is trouwens al lang een pionier op vlak van digitalisering en onderwijs. De strategie achter die digitalisering is er goed overwogen. Als ze dit ook goed kunnen integreren in het onderwijsbeleid, kan dit zeker positief uitdraaien. Maar dan moet er goed rekening gehouden worden met de risico’s.”
Wat is het voornaamste risico?
“De afleiding. De smartphone maar ook andere digitale middelen zoals de computer geven een grote kans op afleiding en dus verminderde concentratie. Een onderzoek van PISA, dat vaardigheden van 15-jarigen internationaal vergelijkt, toont aan dat kinderen na een aantal uren computergebruik gemakkelijk afgeleid worden, en dat je ze niet makkelijk terug bij de les krijgt.
“Ik blijf voorstander van de digitalisering, maar enkel als dat op een verstandige manier ingezet wordt. De details van het plan van Estland ken ik niet. Maar als ze het digitale gebruik goed kunnen beheersen, monitoren en organiseren, dan kan het risico op die afleiding teruggedrongen worden.”
Zijn we in Vlaanderen goed bezig met de digitalisering in het onderwijs?
“Tot voor kort was het van ‘hoe meer, hoe beter’, en dat is manifest onjuist. Het was de bedoeling om elk kind een gratis laptop te geven en dat heeft minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) teruggeschroefd. Dat lijkt me een verstandig idee, want de apparatuur is niet meer het belangrijkste wat nodig is. Die barrière zijn we voorbij.”
Welke barrières zijn er nog?
“De eerste barrière is dus gerealiseerd, dat is het zorgen voor voldoende apparatuur, smartschool, internettoegang, wifi op scholen. De volgende laag zijn de vaardigheden die je nodig hebt om ermee om te gaan. Zowel leerlingen als leerkrachten moeten die vaardigheden hebben. En tot slot de derde barrière: het gebruik. En dat is in Vlaanderen nog onvoldoende ontwikkeld.
“In Estland liggen de digitale vaardigheden zowel bij leraren als bij leerlingen manifest hoger dan in België. Dan bedoel ik niet gewoon het kunnen swipen op Instagram, het is veel meer dan dat.”
De leerlingen scoren er ook het hoogst op wiskunde en natuurwetenschappen. Heeft die digitalisering daar iets mee te maken?
“In Estland zien we een hoge interesse in de STEM-vakken. Historisch speelt daar de erfenis van het onderwijs mee uit de tijd van de Sovjet-Unie. Daarin lag een sterke focus op wiskunde. De positieve waardering voor de STEM-vakken zit dus in hun cultuur. En misschien heeft dat dan een effect op de positieve houding tegenover digitalisering.
“Er is geen duidelijke een-op-eenrelatie tussen digitalisering en STEM-vakken maar er lijkt een connectie te zijn. In Vlaanderen scoren de leerlingen elke keer slechter op wiskunde en natuurwetenschappen. Enkel Estland presteert daar als Europees land aan de top.”
Waarom stappen we hier dan af van de digitalisering?
“Voor alle duidelijkheid: we stappen helemaal niet af van de digitalisering in het onderwijs. Met de coronacrisis bleek dat we een ferme inhaalbeweging moesten maken, en daarop was de Digisprong het antwoord. Die heeft een grote impact gehad, maar de klemtoon lag op apparatuur en infrastructuur. De kwaliteit van digitaal onderwijs, van de leermiddelen, van wat leerlingen achter de laptop doen, was veel minder cruciaal. Daardoor werden de baten van digitalisering onvoldoende gerealiseerd. Nu moeten we het accent voluit op kwaliteit, in plaats van kwantiteit, leggen.”